Een eerlijke deal - Leeslicht
Op Leeslicht.com vind je gezellige voeding voor de geest. Verhalen, lang en kort, fictief en non-fictief. Reisreportages en -foto's en illustraties.
verhalen, illustraties, lezen, fictie, essay, reisverhalen
205
post-template-default,single,single-post,postid-205,single-format-standard,bridge-core-3.0.1,sfsi_actvite_theme_default,qode-page-transition-enabled,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode_grid_1300,footer_responsive_adv,qode-content-sidebar-responsive,qode-theme-ver-28.8,qode-theme-bridge,disabled_footer_bottom,qode_header_in_grid,wpb-js-composer js-comp-ver-6.7.0,vc_responsive,elementor-default,elementor-kit-920

Een eerlijke deal

In de gang van het bejaardentehuis ruikt het naar gaarkeuken. Er hangt een warme, muffe lucht die alle geluiden in het tehuis lijkt te verstikken. Ik loop door de gang, de trap op en sla af bovenaan de trap van de tweede verdieping. De koperen cijfers op de deur van nummer 213 zijn dof, zoals al het leven hier is. Als je het nog leven kunt noemen. Want volgens mij is het meer een tussenfase naar de dood waarin een deel van de kleuren, geluiden en geuren al zijn uitgewist, op weg naar het onkenbare en de leegte. Of eigenlijk, die geuren worden alleen maar sterker. Er hangt altijd een rare lucht in dit tehuis, zoals in ieder tehuis en ook op de kamer in het ziekenhuis waar opa lag. Een verkapte lijkenlucht. Of in het geval van opa niet eens meer verkapt.
Ik diep de sleutel op uit mijn zak en steek hem in het slot. Voor ik naar binnenga, klop ik op de deur. Ik weet ook niet waarom ik dat doe, mevrouw Rutgers hoort het toch niet en ze zit al op me te wachten. Ik stap naar binnen en loop via het gangetje door naar de woonkamer. Daar zit mevrouw Rutgers, zoals altijd in haar fauteuil bij het raam. Ze hoort me niet binnenkomen, dus schraap ik mijn keel. ‘Goedemorgen, mevrouw Rutgers,’ zeg ik, ‘hoe is het vandaag met u?’ Ze kijkt op en haar gezicht wordt één stralende bedoeling. De ergernis borrelt meteen op bij het zien van het verkreukelde hoopje mens in die stoel, zo afhankelijk als een baby en daarom ook zo blij als een kind met mijn komst. Je begint het leven als hulpeloos wezen en eindigt het ook zo. Al ben je koning, miljardair of Moeder Theresa. Wat een grote teleurstelling is het toch.
Mevrouw Rutgers begint te pruttelen en gebaart naar de stoel naast haar. ‘Zal ik eerst een kopje koffie voor ons zetten?’ vraag ik. Ze knikt. ‘Ik heb koekjes meegenomen van de bakker op de hoek,’ voeg ik toe terwijl ik naar het keukentje loop en in kastjes begin te rommelen. Als ik terugkom zit mevrouw Rutgers hoopvol naar de keuken te kijken, wachtend tot ik terugkom. Ik duw het kopje in haar hand en hou het schoteltje koekjes voor. Als we geïnstalleerd zijn, begint ze weer te pruttelen. Ergens vanuit haar keel komt een reutel, gevolgd door een droge hoest, die uiteindelijk overgaat in een piep. Ze is opgestart.
‘Zie je dat vogeltje daar?’ vraagt ze. Ik volg haar vinger, zie niks in het groen van de boom voor haar raam, maar knik toch. ‘Dat is een koolmees,’ vervolgt ze. ‘In de tuin had ik ook altijd koolmezen. Ik legde zaad voor ze neer en zorgde altijd dat het badje met water gevuld was. Heel leuk waren ze. Ieder jaar waren ze er maar druk mee, en dan opeens waren daar kuikens.’ Ze stopt even en neemt een slokje. ‘Tot de kat van de buurman ze doodbeet,’ vult ze aan. Uiteraard. Dat is precies mevrouw Rutgers.
Ik bestudeer haar gezicht, dat een gerimpeld landschap is. Op haar slaap klopt een blauwe ader die door haar doorzichtige huid schijnt. Op haar voorhoofd zitten ouderdomsvlekken en iets dat op schilfers lijkt. De haargrens is zo goed als niet te onderscheiden omdat haar haar inmiddels bijna afwezig is. Er laat een korst los op haar schedel. Een ondefinieerbare klodder hangt in de ene ooghoek, het andere oog traant. In de mondhoeken hopen viezige klodders op, vermengt met kruimels van het koekje. Speeksel en slijm maken draden in haar herkauwende mond, die ik zie terwijl ze het koekje moeizaam opeet.
‘Gisteren hadden ze nasi gestuurd. Vreselijk was dat,’ gaat ze langzaam verder als ze eindelijk een stuk van het koekje heeft weggewerkt. ‘Waarom koken ze niet gewoon zoals het hoort. Wat is er mis met aardappels?’ Ik knik een beetje en staar naar de haren op haar kin. ‘We hebben tegenwoordig steeds meer van die bruintjes hier,’ vervolgt ze op vertrouwelijke toon, ‘die koken dat natuurlijk.’ Ik moet een zucht onderdrukken en antwoord zo opgewekt mogelijk: ‘het is toch ook weleens leuk andere dingen te proberen?’
‘Op mijn leeftijd niet meer, kindje.’ Ze klopt even met haar verrimpelde hand met vieze, afgebrokkelde nagels op mijn been en ik doe mijn best mijn been niet weg te trekken. Ik voel een misselijkheid opstijgen vanuit mijn buik die doorstoot naar mijn slokdarm, waar ik een kokhals moet onderdrukken. God, wat heb ik toch een hekel aan oude mensen.

Mevrouw Rutgers liet haar hondje uit op een mooie voorjaarsdag, toen het beest zich losrukte en de weg over stoof, waar net een auto aankwam die het hondje platreed. Het was een zachtgrijs poedeltje met een stamboom, maar toen was hij vooral rood van het bloed. Mevrouw Rutgers stond daar maar op de stoep te roepen naar het beestje, dat natuurlijk niet meer kwam. Ik fietste langs en zag het gebeuren. Ze was behoorlijk in de war en riep dingen over de vuile nazi’s die het hadden gedaan, opgevolgd door de gemeente die erachter zat. Ik escorteerde haar naar haar aanleunwoninkje twee straten verderop en vroeg haar of ik iemand voor haar kon bellen. Maar er was niemand. Mevrouw Rutger was zo’n typisch geval van pech. Ze had nooit een man gevonden en dus geen kinderen. Haar schaarse vrienden waren al dood. Ze verloor op jonge leeftijd haar zus aan tuberculose en later haar twee broers in de oorlog voor die kinderen hadden gekregen. Ooms en tantes waren overleden. Eenzaamheid kreeg een nieuwe lading bij het horen van haar verhaal en het zien van haar leven. En nu de poedel dood was, was er daadwerkelijk niets meer in haar leven. Het beste voor haar was om gewoon dood te gaan. Maar mevrouw Rutgers ging niet bij de pakken neerzitten en plantte nieuwe geraniums in de bakken aan het hekje voor haar raam. Ze viel, en omdat er niemand was, werd ik gebeld. Ik had mijn telefoonnummer achtergelaten bij de huismeester en daar werd dankbaar gebruik van gemaakt toen ze haar heup brak. Ik kwam een paar keer langs in het ziekenhuis en hielp haar met de verhuizing naar het bejaardentehuis. En dat was dat, dacht ik. Want ik wist iedere keer niet hoe snel ik weg moest komen. Mevrouw Rutgers had verhalen, niet zoveel, en alle eindigden slecht. Een happy end kwam niet in haar woordenboek voor. Nu maakte dat nog niet eens zo uit. Ik kan best wat negativiteit hebben. Maar haar rechtlijnigheid als het gaat over andere culturen, haar kortzichtigheid over rolverdeling, maar vooral haar totale afhankelijkheid van anderen was waarom ik hard wilde wegrennen. Daarbij kwam ook nog dat ik gewoon niet naar haar kon kijken omdat ik alles aan haar vies vond. Laat staan dat ik haar moest aanraken. Maar ze klampte zich aan me vast alsof haar leven er vanaf hing en gaf mij als contactpersoon voor het tehuis op, maar ook voor de dokter, het ziekenhuis, de tandarts en de kapper. Het gevolg was dat ik iedere keer werd gebeld als ze moest worden gebracht of gehaald. En iedere keer dat ik haar zag, groeide de neiging om haar een duwtje te geven of pootje te haken. Tot ik me bedacht dat als zij mij nodig had en daar volop gebruik van maakte, ik ook wel gebruik van haar mocht maken.
‘Wat nobel van jou, om iemand zo te helpen,’ zei mijn moeder toen ik vertelde dat ik iedere week langsging bij mevrouw Rutgers die niemand had.
‘Ik wou dat ik dat kon,’ zei Anna toen ze het hoorde. Anna stond naar eigen zeggen dicht bij haar oudtante, die inmiddels vijvennegentig jaar was, maar wie ze niet in huis nam toen ze een nieuwe heup kreeg en er iemand voor haar moest zorgen. Ik snap wel dat ze haar niet in huis wilde. Je moet het maar aan kunnen om iemand op de wc te laten zakken, af te vegen en weer op te hijsen. Ik vind een keer per week een praatje maken al heftig.
‘De operatie was zwaar, maar ze is sterk. Ze komt er wel weer bovenop,’ zei Anna. ‘Ik moet er niet aan denken dat ze nu zou overlijden,’ voegde ze eraan toe.
Ik knikte meelevend mee en zei zelfs nog iets in de trant van: ‘wat goed, nu kan ze er weer even tegenaan.’ Maar waarom zou je in vredesnaam zo’n bejaarde nog helpen? Volgens mij is het verspilde tijd en moeite, om over geld nog maar te zwijgen. Artsen zouden een verbod in moeten stellen: vanaf tachtig opereren wij niet meer. Wat een armoede dat we denken dat hun leven nog wat waard is. Op een gegeven moment is het gewoon klaar. Hoe kun je nog zoveel om iemand geven die al zo oud is?
Hun woorden nestelden zich echter wel in mij. Ik deed iets nobels, iets goeds en iets dat anderen me niet zomaar zouden nadoen. Daarin geloof ik zelf ook, trouwens.
Maanden gingen voorbij. ‘Ga je nog naar mevrouw Rutgers?’ vroegen vrienden. Ja, dat ging ik nog. ‘Goh, ik wou dat ik zo onbaatzuchtig was,’ zeiden ze dan terwijl ze van hun gin-tonics en Aperol Spritzes nipten op hippe terrassen. En ik kon alleen maar knikken en hun bewierookte woorden in ontvangst nemen, terwijl ik nog een cocktail bestelde en een selfie op facebook postte. Ja, wat was ik goed. En dus toogde ik iedere week weer naar kamer nummer 213 met de doffe koperen letters op de deur, waar ik niet wist hoe ik mijn ergernis moest onderdrukken en het liefst de broze schedel met de blauwe aders, schilfers, vlekken en plukjes haar tegen de muur wilde rammen. Daarentegen kamde ik de sprieten die nog op haar hoofd zaten. Iets te hardhandig weliswaar, want er lieten altijd plukken los. Maar mevrouw Rutgers zei er niets van. Ik weet niet eens of ze het wel voelde.
‘Toen wij vroeger naar de dierentuin gingen, kon je de beesten nog aaien.’ Zei mevrouw Rutgers terwijl we voor het glas van het hok van de ijsberen stonden waar niets te zien was behalve troebel, blauwig water. ‘Mijn oom was verzorger van de beren, en als we langskwamen mochten we ze voeren.’ Ik had haar voor haar eenennegentigste verjaardag meegenomen naar Blijdorp en had haar in haar rolstoel geparkeerd voor het glas van de ijsberen. Met een dienblad met koffie en een muffin kwam ik aanlopen, terwijl zij begon over hoeveel beter het vroeger was. ‘Wat is dat nu voor cake?’ riep ze toen ze de cakejes op het dienblad zag dat ik voor haar neerzette. ‘Dat is een muffin, mevrouw Rutgers,’ verduidelijkte ik, ‘die vindt u vast lekker. Voor uw verjaardag.’ Een bevende hand reikte naar voren, maar hoe ze ook probeerde, zelfs een muffin van een dienblad pakken was teveel. Ik zuchtte en duwde het cakeje in haar uitgestrekte, bevende hand. Zodra ze hem te pakken had schrokte ze het naar binnen, geen acht slaand op het papiertje dat eromheen zat en waar ze nu ongemerkt op zat te soppen. ‘Wat een gekke cake,’ zei ze toen. Het had komisch kunnen zijn, maar ik had zin om het dienblad heel hard op haar hoofd te slaan.

‘Oma is overleden,’ zei mijn moeder over de krakende lijn. ‘Overmorgen is de begrafenis.’ Ik bleef stil. ‘Ja lieverd,’ vervolgde ze toen, ‘we vinden het allemaal heel moeilijk. En zeker voor jou, nu je in Korea zit. Je hebt geen afscheid kunnen nemen.’ Ze smoorde een snik. ‘Ze kreeg er een griep overheen.’ Zei mijn moeder. ‘De artsen hebben geprobeerd haar met antibiotica op te lappen, maar dat mocht niet baten. En het leek zo goed te gaan.’
Ik was eigenlijk opgelucht. Het geld van opa was er bijna doorheen. Nu hoefde ik mezelf niet meer te bedwingen om mijn handen om dat fragiele, schildpadnekje te leggen en heel hard te knijpen. Moeder Natuur was me voor geweest. Briljant! Wel lullig dat mijn moeder net een groot feest had gepland voor oma’s verjaardag, om te vieren dat ze er nog was. En een week ervoor overleed ze dus. Ik kon een gniffel niet onderdrukken bij de gedachte daaraan, maar mijn moeder dacht dat ik huilde en begon troostende woordjes over de telefoon te zeggen, wat alleen nog maar meer op mijn lachspieren werkte. Toen ik thuiskwam was de begrafenis voorbij en was iedereen in de rouw. ‘Maar oma was toch oud?’ probeerde ik. Mijn moeder keek me niet begrijpend aan. ‘Ja, dus? Daarom kan ik haar nog wel missen,’ zei ze.
‘Ze was een bejaarde. Was het je moeder nog wel, zoals je haar vroeger kende?’ zei ik.
‘Hoezo? Zijn bejaarden aparte statushouders?’ zei mijn moeder.
Ik knikte. ‘Ja, ze doen toch niet meer echt mee? Ze zitten toch eigenlijk te wachten op de dood? En dan lijkt het me prima dat ze doodgaan. Volgens mij is het alleen maar ongezond iemand zo lang in leven te houden.’ Mijn moeder keek me vol ongeloof aan en schudde alleen maar haar hoofd. Later hoorde ik haar tegen mijn vader zeggen dat ze dacht dat ik in shock was en dat dit mijn reactie op haar dood was. Toen ik voor mevrouw Rutgers ging ‘zorgen’, zoals zij het noemt, hoorde ik de hoopvolle toon in haar stem en zag ik de bewonderende glinstering in haar ogen als ze ernaar vroeg. Alsof er toch hoop was voor mij. En ik liet het maar zo.
Nu ook oma’s geld er doorheen is, zou ik er het liefst snel een einde aan maken voor mevrouw Rutgers. Dat lijkt me voor iedereen het beste. Vorige week haalde ik haar bestelling op bij de apotheek en kreeg ik een tas vol mee. Ik werd misselijk van de zak “geld” die ik meedroeg en aan haar moest geven. Alsof je water naar de zee draagt. Daarmee wilde ik niet gezien worden. Straks dachten ze nog dat ik de uitvreter was. Dus propte ik de tas in mijn nieuwe Hermès van zacht kalfsleer. Een “cadeautje” van oma. Ook een zak geld, maar iedere cent meer dan waard. Zeker als je de loftuitingen en bewondering van iedereen kon omzetten in harde knaken. Ik bedacht me dat ik mevrouw Rutgers een lekkere cocktail van al die pillen in mijn tas kon voeren, maar was bang dat ze dan zou overgeven en dat het zou mislukken. Bovendien zou iedereen dan weten dat ik haar de verkeerde combinatie had gegeven en dan was deze hele missie zijn doel voorbij geschoten. Het toppunt van verspilling is wel als je naar de gevangenis moet voor een oudje. Inmiddels heb ik een beter plan. Ik denk dat mevrouw Rutgers het ook niet heel erg vindt. Het is tijd, dat moet zij ook wel weten. Het enige probleem is wel dat ik dan mijn “object” kwijt ben en ik niet weet hoe vet de vis is bij mevrouw Rutgers. Maar dan vind ik vast wel weer een nieuw oudje. Ik moet lachen om mijn eigen woordspeling. Een “nieuw oudje”, groter kan de tegenstelling niet zijn.

Mevrouw Rutgers heeft het koekje eindelijk op en haar kopje is leeg. ‘Zullen we even een ommetje maken,’ vraag ik haar.
‘Wat zeg je?’ roept ze terug.
‘OF WE GAAN WANDELEN,’ roep ik harder terug. Ze knikt en ik kijk toe hoe ze kreunend en piepend de stoel probeert uit te komen. Uiteindelijk help ik haar maar, want dit gaat anders nog een eeuwigheid duren. Als je zo afhankelijk bent van iemand, dan is het wel duidelijk. Vandaag lijkt me dan ook een prima dag. Ik help haar in haar schoenen en jas, laat haar hardhandig in haar rolstoel zakken en duw haar de deur door. Ze kreunt zacht. Op de gang komen we Lieke tegen. ‘Gaan jullie lekker wandelen?’ vraagt ze. Ik knik en mevrouw Rutgers pruttelt. ‘Mevrouw Rutgers is erg blij met jou, weet je dat?’ zegt Lieke nog voor we de lift in stappen. ‘Er zouden meer mensen zoals jij moeten zijn.’ Ik glimlach naar haar en ben het roerend met haar eens. Dan kunnen we ook het personeelsprobleem in de zorg oplossen en de pensioenkosten naar beneden schroeven. Misschien heb ik dan ook nog ergens recht op tegen die tijd. Ik rijd langs de gezamenlijke zogenaamde huiskamer waar veel oudjes bij elkaar zitten. Het is spelletjesdag. Bevende handen leggen in een tergend langzaam tempo dominostenen neer. Mevrouw Rutgers gaat wat rechterop zitten. ‘Kunnen we ook meedoen?’ vraagt ze terwijl ik er langs scheur en doe alsof ik dat niet hoorde. Op de parkeerplaats voor het tehuis staat Anna. Paniek overspoelt me. Ze zwaait, tovert een grote lach op haar gezicht en komt op ons af. ‘Ik dacht wel dat je hier was,’ zegt ze. ‘Je moeder heeft me het adres gegeven. Dag mevrouw,’ zegt ze terwijl ze haar hand uitsteekt, ‘u bent mevrouw Rutgers?’ Mevrouw Rutgers kijkt haar stralend aan en begint van enthousiasme heen en weer te wippen in haar rolstoel.
‘Wat doe jij hier?’ vraag ik bruusk.
Anna kijkt op. Ze trekt een wenkbrauw op. ‘Ik wilde jou zien. En dacht dat je het wel leuk zou vinden als iemand interesse toont in jouw “goede doel”.’ Dat laatste zegt ze met zo’n toon dat ik de koude rillingen langs mijn ruggengraad voel lopen. Ze weet het. Ik kijk haar strak aan. ‘Hoe bedoel je?’ vraag ik.
Ze kijkt me aan. ‘Doe nou niet zo serieus Suus, ik vind het gewoon heel nobel van jou en…’ Ze laat haar zin uitgaan als een nachtkaars en kijkt weg.
‘En wat?’ vraag ik, terwijl ik me in gedachten afvraag hoeveel procent zij zou willen opstrijken hiervan. Anna kijkt naar haar voeten. ‘En wat, Anna?’ vraag ik nog eens strenger.
Ze haalt haar schouders op. ‘Weet ik veel. Ik voel me schuldig tegenover mijn tante. Ik… Nou ja, ik hoop dat ik wat van jou kan leren. Kijken hoe jij dit doet.’
Opluchting vloeit door me. Ze weet niets. Gewoon een rondje lopen en afwimpelen die handel. Ik knik gewichtig. ‘Ja, dat snap ik,’ zeg ik. ‘Ik vroeg me al af waarom jij je kans niet greep om je oudtante te helpen.’ Ik zie hoe ze in elkaar duikt. Nu kan mijn imago niet meer stuk. ‘Kom maar mee dan,’ zeg ik met een zucht. Voor de volledigheid draai ik me nog even naar mevrouw Rutgers. ‘Vindt u het leuk als Anna met ons meeloopt?’ Ik wacht niet op het antwoord maar begin de rolstoel te duwen.
De huiskamer van het tehuis is nog altijd druk als we terugkomen. Ik heb Anna met niet al teveel moeite weggebonjourd na de wandeling. Van haar eigendunk was niet zoveel meer over. Bovendien moet mevrouw Rutgers rusten, heb ik haar wijsgemaakt. Over naar akte twee van mijn drama. Ik duw mevrouw Rutgers weer met een rotgang langs de huiskamer. Ik heb geen zin in nog meer oponthoud. Wel gunstig dat het spelletjesdag is, bedenk ik me. Dan zijn ook de verpleegsters hier en kan ik rustig mijn gang gaan.
Ik rijd de rolstoel door de entree van nummer 213 en sluit de deur. Mevrouw Rutgers zit te knikkebollen in haar stoel. Ook zoiets, ze moeten om de haverklap slapen. En dan maar zeuren over hoe vroeg ze wakker waren. Slaap dan ook een keer uit. ‘Zal ik u even op bed leggen?’ vraag ik aan haar. Ze schrikt op en kijkt eerst verwilderd om zich heen. Dan ziet ze mij en straalt weer van oor tot oor, alsof ik net ben binnengekomen. Ik rol met mijn ogen en herhaal mijn vraag. ‘U ziet er een beetje moe uit, mevrouw Rutgers. Misschien moet u even een dutje doen.’ Ze knikt en ik rijd de stoel naar de slaapkamer. Ik til haar onder haar oksels op en leg haar op het bed. Ze weegt amper wat. Ik trek haar schoenen uit en installeer haar, zodat het eruit ziet alsof iemand haar liefdevol heeft ingestopt. ‘Zo,’ zeg ik ‘ga nu maar slapen.’ Ze glimlacht en sluit haar ogen. Ik kijk naar haar en wacht tot ze een regelmatige ademhaling heeft. Dan leun ik voorzichtig over haar heen en pak het kussen naast haar hoofd. Ik leg het kussen op haar gezicht. Net als ik erop wil leunen, wordt er op de deur geklopt en ik schiet overeind. Wie komt er nu in godsnaam langs? Ik leg het kussen snel weer naast mevrouw Rutgers en blijf even in de kamer staan. Er wordt nog een keer geklopt. ‘Mevrouw Rutgers?’ hoor ik Lieke aan de andere kant van de deur zeggen. Mijn hart gaat als een razende tekeer. Er wordt nooit naar die lui omgekeken en uitgerekend nú word ik steeds gestoord! Ik kijk gehaast naar mevrouw Rutgers. Straks wordt ze wakker en dan moet ik weer een week wachten. Ik besluit de deur toch maar even open te doen. Onderweg probeer ik mijn ademhaling weer op peil te krijgen. Voor de deur blijf ik even staan. Dan duw ik de klink naar beneden en steek mijn hoofd door de kier. ‘Hoi!’ roep ik zo opgewekt mogelijk. ‘Sorry, ik zat even op het toilet.’
‘Hoi,’ zegt Lieke. ‘Ik vroeg me af of jullie ook even bij de spelletjesdag komen kijken?’
Die verdomde spelletjesdag ook. ‘Ah,’ zeg ik met een verontschuldigende frons, ‘mevrouw Rutgers is net even gaan liggen voor een dutje.’
‘Oh gut, sorry dat ik stoor!’
‘Geen probleem, ze slaapt nog. Maar ik laat haar liever liggen. Die wandeling kostte haar veel energie.’
‘Ik snap het. Ik laat jullie met rust.’ Lieke draait zich om en loopt weg. Ik sluit de deur en kijk haar na door een kier in het gordijn. Als ze weg is, loop ik terug naar de slaapkamer. Voorzichtig ga ik op de rand van het bed zitten en pak het kussen weer. Ik kijk nog een keer naar mevrouw Rutgers. Haar ogen gaan een klein beetje open. Een golf paniek spoelt door me heen. Ik blijf stokstijf zitten en wacht. Mevrouw Rutgers reageert niet. Ze zucht en brabbelt wat. Gelukkig, ze slaapt nog. Zachtjes duw ik het kussen op haar hoofd en druk. Er gebeurt eerst niets, dan worstelt ze nog wat, vervolgens is het stil. Dat was wel erg gemakkelijk. Voor de zekerheid blijf ik nog zeker een minuut zo zitten tot ik het kussen van haar gezicht haal. Mevrouw Rutgers ademt niet meer. Haar ogen zijn nog steeds half open, net als haar mond. Maar het ziet er best geloofwaardig uit als iemand die in haar slaap is gestorven. Ik kijk nog even naar haar. ‘Tot ziens,’ fluister ik tegen haar, waarna ik opsta, mijn tas en jas pak en de deur uit loop. Op de weg naar buiten groet ik mevrouw Zaliger, het zit al in haar naam verdorie. Ik zwaai nog even naar Lieke en loop dan naar buiten.

De zon straalt warm op mijn gezicht. De serveerster brengt me mijn cocktail. Vanachter mijn grote Gucci-glazen volg ik haar bewegingen. ‘Heeft u al een keuze kunnen maken?’ vraagt ze dan. Ik knik. ‘Jazeker. Doet u mij het vijfgangenlunchmenu maar, met bijpassende wijnen.’ De serveerster knikt. ‘Wat een mooie bril heeft u,’ zegt ze met een knikje. Ik glimlach. ‘Van mijn oudtante gekregen,’ zeg ik.
‘Dan had u vast een goede band met haar?’ zegt de serveerster.
‘Zeker, ze is onlangs overleden.’
‘Ach,’ roept ze geschrokken uit. ‘Dat spijt me voor u.’ Met een kort knikje loopt ze weer weg. Ik kijk naar de map van de accountant die half uit mijn Hermèstas steekt en glimlach. Mevrouw Rutgers had haar zaakjes goed voor elkaar. Iedereen denkt dat ik voor mevrouw Rutgers zorgde, maar eigenlijk is het andersom. De oudere maakt plaats en laat de jongere goed verzorgd achter. Dat lijkt me een eerlijke deal. Wie weet kan ik het lang genoeg uitzingen zodat ik mevrouw Zaliger niet hoef te bezoeken. Ik leun naar achteren en nip van mijn cocktail.